Korte geschiedenis van de drafsport in Nederland

Het draven met paarden is Nederland begonnen tijdens de jaarmarkten. Meer volk betekende meer meer omzet en dus vonden de plaatselijke bestuurders het opportuun om drafwedstrijden te houden om het grote publiek op de been te krijgen. Meestal ging in het in zulke gevallen om korte spurts van slechts 300 meter en werd er twee aan twee gekoerst. De kortebaandraverijen waren geboren.

De prijzen die werden uitgedeeld aan de winnaar waren vaak gebruiksvoorwerpen. Meestal ging het om zilveren tabakspotten of theeserviezen. Tijdens de allerbelangrijkste races kon er een zilveren zweep gewonnen worden. De belangrijkste koers van Nederland, de Gouden Zweep in Duindigt, heeft zijn naam hier aan te danken.

De Nederlanders hadden in die tijd de beschikking over bijzonder competente paarden die uitblonken in een natuurlijke drafactie, perfect passend bij de discipline. Onze paarden werden zo gewild dat er een exportindustrie ontstond. Er werden soms fikse prijzen betaald voor Nederlandse drafpaarden.

De drafsport stond nog in de kinderschoenen en de selectie van paarden voor de sport was ook nog primitief. Zo werd er niet speciaal gefokt op snelheid. In de meeste gevallen vond men bij toeval een snel paard, bijvoorbeeld omdat deze harder reed dan de andere paarden. Zulke paarden werden dan al snel gepromoveerd tot wedstijdpaard. Het was voor het eerst dat paarden slechts één functie hadden: het draven tegen andere paarden.

Langzamerhand vond een transitie plaats naar langere afstanden. De races vonden niet langer in het dorps- of standscentrum plaats. Snel daarna werden de eerste draf- en renbanen gebouwd en al snel verschenen de eerste tribunes langs de baan. Waar de jockey eerst nog op het paard zat, werd de aangespannen draverij steeds populairder. In deze discipline zit de jockey op een karretje achter het paard. Zo’n karretje wordt ook wel ‘sulky’ genoemd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *